Maak kennis met onze adviesraad

De adviesraadleden van stichting zaadbalkanker zetten zich op diverse vlakken in om het leven van zaadbalkankerpatiënten aangenamer te maken. Ze geven advies bij individuele vraagstukken, maar hebben uiteraard ook hun dagelijkse werkzaamheden, waarin zaadbalkanker een rol speelt. In deze rubriek leren we de adviesraadleden beter kennen. Ze vertellen wat de nieuwe ontwikkelingen zijn en wat zaadbalkankerpatiënten daar aan kunnen hebben.

Adviesraadlid Fred Witjes


“Met het oog op late effecten, willen we overbehandeling voorkomen”

Fred Witjes is uroloog in het Nijmeegse Radboudziekenhuis. Hij kwam in 1991 in de staf om zijn promotieonderzoek in de urologie af te maken. “Daarna ben ik blijven hangen en in 2003 hoogleraar geworden. Naast patiënten behandelen geef ik het liefst college aan verpleegkundigen en collega’s. Mensen die écht oog hebben voor het vakgebied. Studenten probeer ik bij hun iPhone weg te houden door patiënten mee te nemen. Dat maakt indruk.” Fred vertelt over de grootste ontwikkelingen in de oncologische urologie en deelt zijn angst dat bepaalde expertise verloren dreigt te gaan. Wat zijn de grootste ontwikkelingen in de oncologische urologie? “Immunotherapie is erg in de mode. Voornamelijk bij blaaskanker geeft dat een enorme boost. Ook is de diagnostiek flink verbeterd. Daardoor kunnen we bij teelbalkanker minder en selectiever behandelen. We werken veel samen met bijvoorbeeld de universiteit Wageningen op het gebied van voeding in leefstijl. Wat kun je doen om bepaalde vormen van kanker te voorkomen? Stoppen met roken moet je sowieso doen, maar ook de invloed van bijvoorbeeld 5G-masten betrekken we in ons onderzoek. Ik denk zelf niet dat dat veel invloed heeft, maar we nemen het wel mee. Leefstijlonderzoek is wel heel lastig. Mensen kunnen slecht terughalen hoe ze 20 jaar terug aten en met welke stoffen ze in aanraking kwamen. Dus dat levert mondjesmaat iets op.” Wat levert wel veel op? “Nieuwe behandelingen en betere diagnostiek, daar komen we verder mee. Andere medicijnen, nieuwe apparaten, nieuwe methodieken. Ook de robotisering gaat snel. Maar dat is voornamelijk industry driven. In mijn oratie met als titel ‘De prijs van kanker’ heb ik benadrukt dat ik de samenwerking met de farmaceutische industrie heel belangrijk vind, mits je weet waar je mee bezig bent. Daarvoor ben ik nog op het matje geroepen door de Raad van Bestuur. Destijds werd niet over geld gesproken. Het mocht alles kosten. Inmiddels is de tendens dat we elke euro maar een keer uit kunnen geven en maak ik dagelijks beslissingen op basis van budgetten. Dat is helaas niet anders.” Hoe sta je tegenover die robotisering? “Robots kunnen steeds beter standaard handelingen overnemen, daar sta ik achter. Maar als ouder wordende uroloog maak ik me wel zorgen over expertise die verloren gaat. Open chirurgie begint bijvoorbeeld wel een beetje te verdwijnen uit het palet van de uroloog. Dat is een vaardigheid die niet zomaar door een robot kan worden overgenomen. Het zou zomaar kunnen dat mensen in de toekomst daarvoor naar het buitenland moeten uitwijken. Onlangs opereerde ik een teelbalkankerpatiënt met een 15 centimeter grote tumor in zijn buik. Dat gaat een robot niet lukken. Ik probeer een fellow de komende vier jaar dit soort operaties bij te brengen.” In het Radboud gebruiken jullie Medimapp. Een app voor patiënten. Ben je daar een voorstander van? “Ik zie dat jongvolwassenen alles doen op hun telefoon. Die is bijna niet meer los te denken van deze groep patiënten. Maar ook ouderen vinden het prettig om alles bij elkaar te hebben. Ze vragen soms hun kinderen om hulp, maar de meeste mensen kunnen zelf ook met de app overweg. Medimapp is goede manier om mensen digitaal informatie te geven die ze thuis rustig kunnen nalezen. De app heeft ook de mogelijkheid om digitaal vragen te stellen. Dat scheelt patiënten bijvoorbeeld reistijd. Voor mij als arts is het niet per se efficiënter. Ik ben zelf niet heel digitaal ingesteld en zie vaak aan de blik in iemands ogen of ik meer moet uitleggen of niet. En ik teken ook weleens bij dingen die ik vertel. Maar die ontwikkelingen kunnen we niet tegenhouden, denk ik.” Welk onderzoek wil je extra onder de aandacht brengen? In Nederland werken 13 ziekenhuizen samen met de Nederlandse kankerregistratie. We putten uit een database van vijf- tot zesduizend patiënten met zaadbalkanker die in de periode 1976-2007 werden behandeld met chemo- of radiotherapie. We onderzoeken de lange termijn problemen die deze groep ondervindt. Daar zijn drie artikelen uit voortgekomen. Na 14 jaar follow up blijkt dat deze groep een 1.8x grotere kans heeft op een andere vorm van kanker dan de normale populatie. Dus op een secundaire tumor. Dat zie je met name bij mensen die een grote dosis chemo- of radiotherapie hebben gehad. Of die getallen anno 2020 nog vergelijkbaar zijn, is zeer de vraag. Want tegenwoordig krijgen mensen veel minder zware behandelingen. Feit blijft dat de eerdergenoemde groep een grotere kans heeft op een secundaire tumor, waar ze ook dood aan kunnen gaan. Screenen wordt dan als optie genoemd, maar het is niet zo dat iedereen dezelfde tumor krijgt. Je kunt nu eenmaal niet iedereen elke keer helemaal door de molen halen. We weten nog niet of deze mensen in het algemeen gevoeliger zijn voor het ontwikkelen van kanker, of dat het samenhangt met de behandeling.

Ook is er een verhoogde kans op hart- en vaatziekten. Met name bij mensen die met platinum behandeld zijn. Een voor mij logische conclusie, maar ik vond het vooral belangrijk om te onderzoeken, omdat ik steeds meer jonge kerels trof met hartfalen. Wil je daar iets aan doen, dan moet je weten waar het vandaan komt. Dat geldt ook voor de kans op suikerziekte. Die is ook groter na behandeling. Maar ik denk echt dat de kansen steeds kleiner worden, omdat we minder en gerichter behandelen. Zeker als het gaat om teelbalkanker.” Hoe komt het dat we tegenwoordig met minder chemo toe kunnen? “Ik heb zelf heel lang chemo gegeven, tot zes jaar terug. Er werd werkelijk van alles gegeven, tot 6 keer BEP aan toe. Toch bleek uit studies dat meer chemo niet beter werkt. Minder chemo bleek bij een aantal stadia zelfs even effectief. Dat heeft ertoe geleid dat we nu in stadium 1 eigenlijk helemaal niet meer behandelen. Alleen bij hoogrisico patiënten met stadium 1 non seminoom. En als we behandelen krijgen ouderen bijvoorbeeld geen BEP maar EP. Door steeds gerichter te behandelen, proberen we overbehandeling te voorkomen. Zeker nu we meer zicht hebben op de nadelige late effecten. Een groot voordeel bij zaadbalkanker is trouwens dat het, ook als je iets later bent, nog steeds heel goed te behandelen is. Bij prostaat- of blaaskanker is dat juist fataal.” Hoe belangrijk is het om als uroloog zoveel mogelijk zaadbalkankerpatiënten te behandelen? “Wij sturen aan op een toenemende concentratie van zorg. In ons geval zorg van teelbalkanker. Meer patiënten in je kliniek per jaar levert gewoon betere resultaten op. Daarvoor moet je minimaal 10 patiënten behandelen en opereren per jaar. Daarnaast doe ik op afstand ook veel MDO’s. Voor een tiental ziekenhuizen in de regio adviseer ik voor dit soort patiënten. Daar ben in dus niet live bij. Die samenwerking en concentratie vind ik positief. Zo bekijken we op dit moment samen met het AvL 335 zaadbalkankerdiagnoses met de vraag: kunnen we voorspellen wanneer we een restletsel in de buik na chemotherapie eigenlijk niet hadden hoeven opereren? Soms blijkt een verdachte plek namelijk alleen maar littekenweefsel te zijn geweest. We brengen in kaart hoe dat er bijvoorbeeld op de CT uitziet, zodat we in de toekomst beter kunnen beslissen of we wel of niet moeten behandelen. Er is een student die dit onderzoek uitermate goed oppakt, dus ik hoop dat we daar later dit jaar iets moois over kunnen publiceren.”