Als je partner zaadbalkanker heeft…

Actrice en scenarioschrijfster Nadja Hüpscher schreef een boek over de invloed van zaadbalkanker op haar gezinsleven

“Het is makkelijker praten met iemand die ook op een vlot drijft”

Foto: Yvette Kulkens

“Ik zette mezelf op de vierde plek en dat was oké, zo is het nu eenmaal. Je moet alle ballen hoog houden en doorgaan. Je man verzorgen en er zijn voor je kinderen. Ik wilde vooral niet toegeven aan mijn verdriet, want dan zak je in een diepe put.” Aan het woord is Nadja Hüpscher. Haar man bleek eind 2018 uitgezaaide teelbalkanker te hebben. Deze heftige periode en de invloed ervan op haar en het gezinsleven beschreef ze in een boek: ‘Geluk is met een K’.

De partner: “Je raakt je man even helemaal kwijt”

“Als je partner de kankerdiagnose krijgt, is ‘hij gaat niet dood’ het enige wat je horen wilt. En dat is dus iets wat ze nooit zeggen. Het is overweldigend, je moet opeens nadenken over leven en dood. Het is een intense tijd en alleen dat is nog maar aan de hand. Je raakt je man kwijt, hebt alleen maar zorgen, zo is het gewoon. Of wij er sterker door geworden zijn? Nee, dat vind ik echt een groot misverstand. Natuurlijk maak je een heel intense periode mee, maar van ellende worden we kwetsbaarder. Gevoeliger. Het tegendeel is dus waar. Het is mooi als je zoals wij nog bij elkaar bent. Maar ik snap nu dat kanker je ook helemaal uit elkaar kan drijven. Gelukkig is Sander vanaf het begin heel open geweest. En nu heb ik mijn man weer terug.”

De moeder: “Gaat papa dood? Kinderen stellen die vraag gewoon”

“Wat vertel je tegen je kinderen? Dat is een vraag die me veel heeft beziggehouden. Ik zocht een boek, iemand die me kon vertellen over hoe je er met kinderen mee om moet gaan. Hoe doen andere gezinnen dat? Lang heb ik gedacht dat ik de eventuele dood van hun vader niet uit moest spreken naar mijn jongens. Misschien vooral ook omdat ik het dan zelf zou geloven. Maar als je merkt dat je kinderen zich agressief gaan gedragen in de supermarkt, dan moet je wat doen. Zelf had ik niet direct door dat het door de situatie kwam. Dan is het goed als iemand tegen je zegt: misschien moet je duidelijker zijn, je eigen angsten uitspreken. Gaat papa dood? Dat weet ik niet, maar het kán wel. En dat maakt me bang. Ik hoop ook dat mijn boek een opening is voor de discussie over hoe je met kinderen om gaat als de vader of moeder ernstig ziek is. Want ik kreeg naar aanleiding van mijn boek een bericht van iemand die er op haar 30e pas achter kwam dat haar moeder kanker heeft gehad. Ze heeft veel last gehad van die onwetendheid in haar jeugd. Je wilt niet dat je kinderen er psychische problemen door krijgen.”

De vrouw: “Ik was op zoek naar aandacht, naar een flirt”

“Hoe ik mezelf staande hield? Door te blijven werken. Zonder mijn werk had ik het nooit volgehouden, dat weet ik zeker. Ik snap dat niet iedereen dat zal begrijpen, maar voor mij was het pure noodzaak. Op mijn werk kon ik even aan andere dingen denken. Gewoon weer even mezelf zijn. Even niet na hoeven denken over of mijn man, de vader van mijn kinderen, het zou overleven. Ook de gesprekken met mijn psycholoog hebben me geholpen. En ook in het AvL namen de zusters en dokters veel tijd voor ons, ook voor mij. Dat had ik nooit gedacht. Ik steek in mijn boek niet onder stoelen of banken dat ik behoefte had aan aandacht, aan een flirt, een zoen. Als je man al pijn heeft als je tegen hem aan zit op de bank, dan doet dat iets met je. Van die zoen is het overigens niet eens gekomen, maar ik maakte mezelf wel mooi als ik naar de supermarkt ging in de hoop dat ik iemand zou tegenkomen. Achteraf denk ik dat dat menselijk is.”

De vriendin: “Het is makkelijker praten met iemand die ook in de shit zit”

“Er waren drie vriendinnen met wie ik alles deelde, die ik dag en nacht kon bellen. Ze hoefden dan eigenlijk niks te zeggen, want alles was verkeerd. Vragen hoe het gaat zou überhaupt verboden moeten zijn in kankertijd. Ik besef me wel dat niet iedereen zulke fantastische vrienden om zich heen heeft. Maar de vriendschappen voelden bij ons onvoorwaardelijk. Er werd eten gebracht, de kinderen werden opgehaald, er waren gesprekken en bezoekjes. Dat heeft ons enorm geholpen. Het feit dat Sander zo open was over de ziekte heeft daarin denk ik een grote rol gespeeld. Velen hebben gezegd dat hij een voorbeeld was voor hen. Zelf vond ik kletsen met ‘lotgenoten’ in het ziekenhuis makkelijker dan met vrienden. Als je allebei in diepe shit zit, allebei als het ware op een vlot drijft, dan is het heerlijk om te zeggen: ‘Hoe gaat het?’ ‘Slecht.’ ‘Ja met mij ook, wat eten jullie vandaag?’ Even over iets simpels praten. Dat is het minst pijnlijk.”

De schrijfster: “Het is ook gewoon een verhaal dat lekker wegleest”

“Vanaf het eerste bezoek aan de arts in het ziekenhuis heb ik alles opgeschreven. Omdat je niets wilt vergeten. En de lastige termen waarvan je weet dat ze worden genoemd, wil je later opzoeken. Je wilt je herinneren hoe je kinderen erover praatten. De schrijfster in mij wilde ook een mooi verhaal vertellen. Over een gezin dat omgaat met pech en ellende. Mijn partner ziet mijn boek vooral als een naslagwerk voor de kinderen. Hij heeft het gelezen en was vooral alles vergeten. Maar als mijn boek anderen kan helpen, dan gunt hij mij dat. Maar bovenal is het ook gewoon een boek dat lekker wegleest. Het gaat over het leven, over pech, lelijk en mooi. Maar ook over hoe liefdevol en kostbaar het leven kan zijn. Want het is echt niet alleen maar vreselijk geweest. We hebben ook mooie momenten beleefd. Wel moet je nu wennen aan een nieuwe werkelijkheid. Je raakt als het ware verslaafd aan het verdriet en de angst waarmee je leeft. Nu het weer goed gaat, en je niet over leven en dood hoeft na te denken moet je weer vertrouwen krijgen. Hoe kun je ook alweer blij zijn? Het zal altijd een deel van ons leven blijven en af en toe praten we erover. En vragen hoe het gaat is inmiddels weer toegestaan.”

Lezen of luisteren

Vind je het prettiger om te luisteren naar het verhaal van Nadja Hüpscher?