Expertisecentrum in de spotlight: UMCG – deel I

”Door goede data-registratie komen we tot innovatie”

Over Prof. dr. Jourik Gietema

medisch oncoloog bij het UMC Groningen

Functies en werkzaamheden:

  • Hoofd afdeling Medische Oncologie UMCG
  • Voorzitter UMCG Comprehensive Cancer Center
  • Onderzoeker naar late effecten oncologische behandelingen
  • Lid van de behandelteams bot- en wekedelentumoren, hoofd-halskanker en urologische tumoren
  • ERN-EURACAN Domein leider urogenitale tumoren

Prof. Dr. Jourik Gietema heeft diverse wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan en is voorzitter van de Taskforce Cancer Survivorship Care.

Wat maakt jullie tot een expertisecentrum?

“Samen met het AVL (Antoni van Leeuwenhoek) en het Erasmus Centrum speelden we vanaf 1977 een pioniersrol in de start van behandeling van patiënten met zaadbalkanker. We hebben een heel sterk team gevormd. In de loop der tijd is dit team verder versterkt en verbreed. We hebben expertise op behandeling van patiënten én op het doen van onderzoek naar directe en indirecte gevolgen daarvan. Op alle onderdelen hebben we sterke spelers: vanuit de urologie, medische oncologie, chirurgie, pathologie en radiologie. Maar ook psychologen, nurse-practitioners en betrokken huisartsen vormen een belangrijk onderdeel. Je hebt de hele zorgketen nodig om de goede prognose voor zaadbalkankerpatiënten ook goed te houden en waar mogelijk nog verder te verbeteren.”

Welke rol spelen jullie buiten de muren van het eigen ziekenhuis?

“Bij een zeldzame ziekte heb je een expertisegroep nodig die voldoende routine ervaring heeft met de behandeling. Wij zijn onderdeel van het Europese Referentie Netwerk zeldzame tumoren EURACAN. Daarin werken we nu samen met ruim 35 ziekenhuizen in Europa. Vanuit het domein zeldzame urogenitale tumoren zoals zaadbalkanker kijken we hoe je als patiënt de meest optimale behandeling kunt krijgen, ongeacht waar je in Europa geboren bent of als patiënt binnenkomt. Vanuit die gedachte is terug geredeneerd naar Nederland: hoe kunnen we dat goed borgen? Daarom is het van groot belang dat we nu een aantal gekwalificeerde expertisecentra hebben, waarmee we een groot gedeelte van de oncologische zaadbalkankerzorg in Nederland kunnen organiseren.

Met de gegevens van een groot cohort zaadbalkankerpatiënten die in het UMCG zijn behandeld hebben we deelgenomen aan de update van de internationale risico classificatie voor zaadbalkanker. Daarmee kun je de prognose-categorieën inschatten: hoe goed is de prognose? Dat was een classificatie van bijna 30 jaar oud. Met hulp van veel andere grote centra is dat geüpdatet en gepubliceerd in Journal of Clinical Oncology. De prognose van patiënten met zaadbalkanker is duidelijk beter dan in 1997. Daaruit blijkt dat we door concentratie van expertise de behandeling en de uitkomst daarvan hebben kunnen verbeteren.”

“Eigenlijk is het een soort benchmark dat je als patiënt verantwoord en veilig naar ons centrum kunt komen voor je behandeling. Onze afdeling Chirurgische Oncologie heeft een heel langdurig trackrecord in de behandeling van onze patiënten.”

Waarom is het belangrijk een expertisecentrum te zijn?

“Eigenlijk is het een soort benchmark dat je als patiënt verantwoord en veilig naar ons centrum kunt komen voor je behandeling. Onze afdeling Chirurgische Oncologie heeft een heel langdurig trackrecord in de behandeling van onze patiënten. Van daaruit hebben we bijvoorbeeld gepionierd in het doen van laparoscopische rest-resecties na chemotherapie. Zo kan een specifieke groep met beperkte restafwijkingen na chemotherapie goed geholpen worden. Het is een elegante ingreep waarvoor slechts een korte opname nodig is met vaak snel herstel. Samen met het AVL hebben we laten zien dat dit veilig is. Vroeger werden restafwijkingen meestal met een grote buikoperatie verwijderd. Nu bereik je met een laparoscopische techniek dezelfde resultaten, met een veel beperktere belasting door de ingreep.”

Wat is kenmerkend voor het UMC Groningen?

“De mogelijkheid om te innoveren is heel belangrijk voor ons. Wij hebben al vanaf 1977 een heel goede data-registratie van alle behandelde zaadbalkankerpatiënten. De meeste noorderlingen blijven wonen in een straal van 10 kilometer vanwaar ze zijn geboren. Dat heeft ons in de gelegenheid gesteld deze patiëntengroep te blijven volgen. We zagen dat we enerzijds oncologisch heel goede resultaten bereikten, een goede overleving. Maar ook dat we de nodige schade aanrichtten. En met name het inzicht daarvan: wat heeft dat voor consequenties? Daar hebben we ons op toegelegd. We hebben, deels met andere centra, een aantal onderzoeksprogramma’s lopen met een landelijke registratie van zo’n 6.000 patiënten. In deze groep hebben we goed kunnen kijken: wat is nou de impact van die behandeling?”

“Het bleek dat 1 op de 3 patiënten die voor testiskanker behandeld is het metabool syndroom ontwikkelt.”

Wat zijn conclusies als je kijkt naar patiënten die je volgt over langere tijd?

“Er zijn bekende late effecten en langetermijneffecten. Een voorbeeld is hardnekkige vermoeidheid. Maar we zagen ook dat mannen uit de groep die we volgden vaak dikker waren dan hun leeftijdsgenoten. Het bleek dat 1 op de 3 patiënten die voor testiskanker behandeld is het metabool syndroom ontwikkelt. Dit is een complex met overgewicht, verhoogde bloeddruk, insuline-resistentie en een verhoogd cholesterol. Dat is een risicofactor die kan bijdragen aan de ontwikkeling van hartinfarcten en CVA's. Ons onderzoek wees uit dat onze behandeling enerzijds de testiskanker oplost, het primaire doel van de behandeling, maar dat zich anderzijds risicofactoren op hart- en vaatziekten kunnen ontwikkelen. Hierdoor kunnen eerder dan verwacht problemen ontstaan, zoals een hartinfarct of een CVA. Als je kijkt naar die groep, dan kan dit leiden tot een duidelijk mindere kwaliteit van leven. Die impact van de behandeling is dus best groot.”

Welk vervolg hebben jullie hieraan gegeven?

“Samen met ons verouderingsinstituut ERIBA volgen we al vanaf 2000 onze patiënten hierop. Het lijkt erop, dat als gevolg van de chemotherapiebehandeling gezonde cellen kunnen worden beschadigd. Deze cellen gaan niet dood, maar ze blijven in een soort slaaptoestand aanwezig en beïnvloeden de functie van organen. Daarmee versnellen ze het verouderingsproces. We zoeken nu uit met een KWF-project of je die versnelde veroudering als het ware aan kunt zien komen, vroegtijdig na voltooiing van de behandeling. En of je patiënten die daar gevoelig voor zijn, kunt identificeren om daar een interventie op te doen. Een van de belangrijkste interventies is een heel simpele: fysiek actief zijn. We hebben in een andere studie gekeken of het nuttig is om tijdens chemotherapie te sporten. Of dat je dat ook ná de behandeling kunt doen. Als eerste resultaat zien we, dat fysiek actief zijn tijdens chemo een gunstig effect heeft. We weten nog niet of dit gunstige effect ook langere tijd na behandeling aanhoudt.

Het belang van een expertisecentrum is ook behandelingen innoveren en resultaten verbeteren. Het gaat om een gevolg van de chemotherapiebehandeling die niet bij iedereen ontstaat. Maar kennis van het mechanisme helpt ons wel te kijken wat je daar aan kan doen.”

“Er is in verschillende studies aangetoond dat je bij good risk-ziekte bij 3 kuren BEP hetzelfde resultaat hebt als bij 4 kuren BEP. Dat is een kwart minder, dus een heel belangrijke ontwikkeling”

Is actief zijn vooralsnog de enige optie om de kans op bijwerkingen te verkleinen?

“Kans op bijwerkingen verklein je zeker ook door het voorkomen van overbehandeling. Er is in verschillende studies aangetoond dat je bij good risk-ziekte bij 3 kuren BEP hetzelfde resultaat hebt als bij 4 kuren BEP. Dat is een kwart minder, dus een heel belangrijke ontwikkeling. We weten dat ook de cumulatieve dosis Cisplatine die je geeft van invloed is op het risico van hart- en vaatafwijkingen. Maar ook het risico op tweede tumoren is een bedreiging voor deze groep. Dus primaire preventie en het alleen behandelen als het echt nodig is, is heel belangrijk en daar heb je de routine ervaring van het expertiseteam voor nodig.”

Behandelen jullie patiënten uit heel Nederland?

“Nee, onze regio loopt van net boven Enschedé tot Noord-Holland. Een behandeltraject is best intensief en ook de periode daarna, waarin je vaak gecontroleerd wordt. Als er studies zijn of ingrepen die alleen op een bepaalde plek gedaan kunnen worden, dan worden patiënten daarnaartoe verwezen. Als een patiënt met zaadbalkanker wordt aangemeld, dan kunnen we die als het nodig is vaak dezelfde dag nog zien. Ook op onze Spoedeisende Hulp kunnen we eigenlijk alle onderzoeken doen en voorbereidingen treffen die nodig zijn om snel een behandeling te kunnen starten. Dat vinden wij heel belangrijk.”

In de volgende editie van ons magazine lees je deel II, waarin prof. dr. Jourik Gietema onder meer vertelt hoe het expertisecentrum inspeelt op de relatief jonge leeftijdsgroep van de patiënten.