Expertisecentrum in de spotlight: Antoni van Leeuwenhoek

“Het gaat niet om de beste zijn, maar om de beste zorg bieden aan zaadbalkanker­­patiënten”

Over Dr. Oscar Brouwer

Specialisme: urologie Aandachtsgebieden: peniskanker, zaadbalkanker

Over Dr. Martijn Kerst

Specialisme: Interne geneeskunde / medische oncologie Aandachtsgebieden: lymfomen, uro-genitale tumoren en sarcomen.

Martijn Kerst is tevens lid van de adviesraad van de Stichting Zaadbalkanker

Waarom is het belangrijk een expertisecentrum te zijn?

Martijn: “Ik wil benadrukken dat het ons er niet om gaat de beste te zijn. Maar stap 1 is, dat je bij zaadbalkanker naar een expertisecentrum kunt gaan voor de beste zorg en behandeling. Om expertisecentrum te zijn, moet je aan vele voorwaarden voldoen. Ik vind het dus goed dat we in Nederland meerdere centra hebben, verspreid over het land, zodat de juiste zorg voor iedereen bereikbaar is.”

Waarin blinkt het AvL expertisecentrum uit?

Oscar: “Ons ziekenhuis biedt multidisciplinaire zorg voor kankerpatiënten. Door een unieke cultuur van samenwerking kunnen wij onze patiënten optimale opvang, diagnostiek en behandeling bieden. Vanuit de urologische kant is onze ervaring met RPLND (retroperitoneale lymfeklierdissectie) iets waar we ver mee zijn.”

Martijn: “Uitblinken vind ik niet het juiste woord, ik zie het meer als onderscheiden. Als centrum hebben wij de zaken goed op orde. Voor alle disciplines is een goede bezetting, voor de complete behandeling. We hebben wekelijks multidisciplinair overleg waarbij we alle nieuwe patiënten en patiënten die een switch in behandeling nodig hebben, bespreken. Dat is een van onze krachtigste kenmerken. Een ander sterk aspect is de zogenaamde AYA-zorg. Onze professor Van der Graaf is leidend in Nederland op het gebied van AYA-zorg. AYA-verpleegkundigen vervlechten wij in onze behandelingen en controles. Zaadbalkankerpatiënten zijn in de regel jong en dat is een lastige periode om met kanker te maken te krijgen.”

“We hebben oog voor patiënten die digitale informatie zoeken en sluiten daarop aan. Ik merk dat mijn patiënten steeds vaker al veel informatie hebben opgezocht. Daardoor stellen ze gedetailleerde vragen.”

Waar hebben de mannen met zaadbalkanker baat bij?

Martijn: “Onze informatievoorziening is goed georganiseerd. Alle facetten van de behandeling vind je terug op de website. Daar zie je trouwens ook wat onze AYA-zorg inhoudt. We hebben oog voor patiënten die digitale informatie zoeken en sluiten daarop aan. Ik merk dat mijn patiënten steeds vaker al veel informatie hebben opgezocht. Daardoor stellen ze gedetailleerde vragen.”

Kan iedere zaadbalkankerpatiënt bij jullie terecht?

Oscar: “Ja, iedere zaadbalkankerpatiënt kan bij ons terecht, we kunnen alle behandelopties aanbieden. Echter, in de regel worden de meeste patiënten verwezen vanuit ziekenhuizen nadat de teelbal verwijderd is. De huisarts verwijst primair naar een regionale uroloog, die vaak ook de operatie doet. Deze regionale uroloog verwijst naar een centrum als er daadwerkelijk sprake is van zaadbalkanker. Sommige huisartsen verwijzen direct naar ons. Omdat de patiënt daar zelf naar vraagt, bijvoorbeeld. Dat zien je in toenemende mate gebeuren. Zeker nu er meerdere centra zijn in Nederland, zou je misschien al sneller moeten verwijzen. Bij directe verwijzing naar een expertisecentrum kun je er zeker van zijn dat belangrijke onderwerpen als fertiliteit en bijvoorbeeld de mogelijkheid van een teelbalprothese aan bod komen.”

Juichen jullie snellere/eerdere verwijzingen toe?

Oscar: “Het belangrijkste is dat men weet dat we er zijn en dat ze bij ons terecht kunnen. Dan is het aan de patiënt zelf en de huisarts om die beslissing te nemen. Als je de richtlijnen volgt, dan kan de eerste fase prima in een regionaal ziekenhuis. Maar zaadbalkanker blijft toch een zeldzame kanker. Heb je daar maar weinig mee te maken, dan staat de richtlijnen mogelijk niet helder op je netvlies. Bij ons heb je die garantie wel.”

“ Sinds enkele jaren doen we deze operatie ook met behulp van een robot, die door de chirurg bestuurd wordt.”

Jullie hebben ook een operatierobot. Oscar, kun je daar iets over vertellen?

Oscar: “Wij zien jaarlijks ruim 100 nieuwe zaadbalkankerpatiënten. Sommigen worden met chemo behandeld, en soms is daarna nog een aanvullende operatie nodig waarbij de lymfeklieruitzaaiing operatief verwijderd wordt. Een zogenaamde retroperitoneale lymfeklierdissectie, oftewel RPLND. Dit kan complexe chirurgie zijn die van oudsher altijd gebeurde via een grote snee in de buik. Sinds enkele jaren doen we deze operatie ook met behulp van een robot, die door de chirurg bestuurd wordt. Dit kan niet in alle gevallen (als de uitzaaiing bijvoorbeeld te uitgebreid is), maar als het kan, is er geen grote snee nodig en is het herstel doorgaans sneller. Het is aan de oncoloog/patholoog om dat te beslissen.”

Jullie staan ook bekend om Salvage-chemo, wat is dat ook alweer?

Martijn: “Behandeling van patiënten met uitgezaaide zaadbalkanker is heel dankbaar werk. Met eerstekeuze chemo (BEP/EP) genezen we bijna alle mannen, al dan niet met een aanvullende operatieve behandeling. Maar met name bij non-seminoom, krijgt 5-10 procent van de mannen te maken met terugkeer van de kanker (recidief). Dan komen ze in aanmerking voor Salvage-chemo. Dat is een lastig onderwerp. Je hebt namelijk twee varianten van deze salvage-chemotherapie. De conventionele behandeling is vergelijkbaar met BEP-kuren, maar in een andere samenstelling: Dit zijn de zogenaamde TIP-kuren, waarbij cisplatin gecombineerd wordt met taxol en ifosfamide. Daarnaast blijkt uit steeds meer data dat intensieve chemotherapie wellicht effectiever is. Intensieve behandeling is mogelijk met carboplatin en etoposide, middelen die wij 5-10 keer hoger kunnen doseren, mits deze behandeling gecombineerd wordt met beenmergondersteuning. Historische data suggereren dat intensieve behandeling effectiever is dan de conventionele behandeling. Maar strikt genomen hebben we daar (nog) geen wetenschappelijk bewijs voor. Dit is een dilemma waar wij als medisch oncologen al jaren mee worstelen.”

Is dat de TIGER-studie?

Martijn: “Ja, in de TIGER-studie wordt prospectief gekeken of de intensieve behandeling daadwerkelijk beter is dan de conventionele behandeling. Wij zijn in Nederland het enige actief deelnemende centrum en hebben reeds 20 patiënten behandeld in deze studie. We brengen de patiënt met een recidief in kaart en kijken of hij geschikt is deze studiebehandeling te ondergaan. Hij wordt geïnformeerd over de studie en als hij gemotiveerd is voor deelname, volgt registratie en randomisatie (loting tussen intensieve behandeling of conventionele behandeling), via de EORTC in Brussel. In de loop van 2022 zal het beoogde aantal patiënten zijn bereikt. Tegen die tijd hebben er dan trans-Atlantisch zo’n 450 patiënten deelgenomen. Op conclusies moeten we nadien nog enkele jaren wachten. In de ideale wereld hopen we tegen die tijd te weten bij welke risicoclassificatie je welke behandeling moet aanbieden. Wij vinden het belangrijk om als centrum mee te doen aan belangrijke studies.”

“Wij vinden het belangrijk om onze expertises bij elkaar te brengen, zodat we patiënten beter kunnen verwijzen of unieke gevallen met meerdere mensen kunnen bespreken.”

Zijn er nog meer ontwikkelingen die de patiënten van de toekomst ten goede komen?

Martijn: “Oscar en ik hebben vanuit het AvL het initiatief genomen om bij DUOS een testiswerkgroep op te zetten. In deze groep willen we 2-3 keer per jaar vergaderen met alle Nederlandse testisgroepen. Wij vinden het belangrijk om onze expertises bij elkaar te brengen, zodat we patiënten beter kunnen verwijzen of unieke gevallen met meerdere mensen kunnen bespreken. Ons idee is in het vakgebied enthousiast ontvangen. In maart volgt de eerste vergadering. Er werken weinig mensen in dit veld, maar de mensen die er werken zijn heel gemotiveerd om patiënten de beste zorg te bieden.”

Oscar: “Het volgen en delen van de nieuwste inzichten is heel belangrijk, zeker bij een zeldzame kankervorm. Hoe mooi zou het zijn als expertisecentra samenwerken, in plaats van elkaar te beconcurreren. Met dit streven werk je aan een versterkend effect van het nut van expertisecentra. En dat kan ook worden uitgebreid naar Europa. Want wij zijn sinds 2021 Europees expertisecentrum. Elke twee weken vergaderen we ook op Europees niveau. Dat vinden we een goede ontwikkeling, want wij geloven in die samenwerking.”