Adviesraadlid Leendert Looijenga over de Kankeratlas IKNL 2023
In januari van dit jaar lanceerde het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) de interactieve Kankeratlas. Op de kaart van Nederland is voor een aantal kankersoorten per regio in beeld gebracht hoe vaak deze kankersoorten daar gediagnosticeerd worden in vergelijking met de landelijke cijfers.

Je vindt de Kankeratlas op https://iknl.nl/kankeratlas. Je krijgt daar informatie over de opzet van de Kankeratlas en je kunt een filmpje bekijken met een duidelijke uitleg. Een aantal zichtbare uitschieters op de kaart worden in het filmpje toegelicht. Op verschillende veel gestelde vragen vind je meteen het antwoord op de homepage.
Wij hebben ons Adviesraadlid Leendert Looijenga gevraagd hoe hij aankijkt tegen de cijfers in de Kankeratlas wat betreft zaadbalkanker.

Leendert Looijenga is medisch celbioloog, leidt een onderzoeksgroep in het Prinses Máxima Centrum en is als hoogleraar verbonden aan het Erasmus MC in Rotterdam.
Hoe vaak komt zaadbalkanker voor en wie worden getroffen?
“Zaadbalkanker is in Nederland de meest voorkomende vorm van kanker bij mannen in de leeftijd van 15 tot 45 jaar. Het gaat vooral om de blanke man. In de periode van 2011 tot 2020 zijn dit gemiddeld 777 nieuwe patiënten per jaar. Er zijn twee vormen van zaadbalkanker, seminoom en non seminoom. De ene vorm komt gemiddeld op 35-jarige leeftijd voor en de andere vorm op 25-jarige leeftijd.”
“Soms gaat er iets mis tijdens de heel vroege ontwikkeling, al tijdens de zwangerschap. De oorzaak van zaadbalkanker ontstaat dan al vóór de geboorte”
Wat zijn oorzaken voor het ontstaan van zaadbalkanker?
“Zaadbalkanker kan verschillende oorzaken hebben. Soms gaat er iets mis tijdens de heel vroege ontwikkeling, al tijdens de zwangerschap. De oorzaak van zaadbalkanker ontstaat dan al vóór de geboorte. Er is sprake van een genetische (erfelijke) component. Bepaalde varianten in het DNA blijken een grotere kans te geven op het ontwikkelen van deze vorm van kanker. Mannen van wie de vader of oom zaadbalkanker heeft, hebben een verhoogd risico. Die erfelijkheid verklaart ook het voornamelijk voorkomen bij blanke mannen. De variaties die een hogere kans geven komen vaker voor bij blanke mannen. Ten slotte blijkt er ook een omgevingsfactor mee te spelen.”
Kun je wat meer vertellen over die omgevingsfactor?
“Dat de omgeving een rol speelt is gebleken uit verschillende epidemiologische studies. Daarbij zijn groepen van personen gevolgd tijdens bijvoorbeeld migratie van het ene land of werelddeel naar het andere. De combinatie van genetische factoren en die van de omgeving (environment) noemen we ‘genvironment’. De precieze samenwerking tussen de genetische factoren en de omgeving is (nog) niet bekend. Dit komt doordat hiervoor geen goede modellen bestaan. Daarom zijn er nog vele open vragen over het ontstaan van deze vorm van kanker. Dat maakt het begrijpen van verschillen die we zien in het voorkomen van kankers in Nederland ook moeilijk. We willen dus nog aan de slag met de vragen op dit gebied.”
Aan wat voor vragen denk je dan?
“Ik ben benieuwd of er een bepaald patroon is in de toename in incidentie. Met andere woorden: of de ziekte vaker is vastgesteld, over de jaren 2011-2020. En zo ja, of dat dan geldt voor allebei de voorkomende vormen van zaadbalkanker. Een andere vraag is: zijn het hoog risico-families in de gebieden waar zaadbalkanker het vaakste voorkomt? Dan doel ik op families met meerdere patiënten binnen één familie: vader, ooms, zoons, neven et cetera.”
“Een toename van 35% betekent dat niet ruim 9, maar ruim 12 mannen uit een groep van 100.000 mannen deze diagnose krijgen.”
Wat zegt het nu als ergens 35% meer zaadbalkankerpatiënten zijn gevonden?
“Over geheel Nederland is het gemiddeld aantal diagnoses per 100.000 mannen 9.2. Dus: iets meer dan 9 mannen uit een groep van 100.000 mannen krijgen deze diagnose. Een toename van 35% betekent dat niet ruim 9, maar ruim 12 mannen uit een groep van 100.000 mannen deze diagnose krijgen. Dat kan dus te maken hebben met de samenstelling van de bevolking in dat gebied. Wonen daar de eerdergenoemde hogere-risico families? Dat moeten we uitsluiten vóórdat we kunnen denken aan een mogelijke omgevingsfactor. Daarnaast kan het op grond van de kleine aantallen ook nog steeds om puur toeval gaan.”